Dankwoord Huub Oosterhuis in Bremen

1.
Een taal van geweld, van bevelen, een taal die dag en nacht, meestal onverwacht, kon toeslaan - de taal van de vijand. In mijn jeugd heb ik de Duitse taal gehaat als een besmetting.

Toen ik achttien was leerde ik de gedichten kennen van de Hamburgse dichter Wolfgang Borchert, en las de Duitse verbijstering en schaamte. - Vele jaren later heb ik de Duitse taal, uit de mond van mannen als Otto von der Gablentz en Claus von Amsberg, leren kennen als een zachtvloeiende, heldere, nederige taal.

Toen ik, begin jaren negentig, voor het eerst enkele van mijn liederen hoorde zingen in het Duits, schouwde ik het visioen van de afgebroken scheidsmuren, het hartsvisioen van de bijbelse profeten en van Paulus.

2.
Ik dank de kerk van mijn jeugd die mij leerde zingen, met meneer Bak aan het orgel. Ik dank de brede christelijke traditie die mij voortstuwt. Ik dank mijn leermeesters, met name Ton Veerkamp in Berlijn. Ik dank de dichters Bertold Brecht en Pablo Neruda en Paul Celan en Lucebert en de dichters der psalmen voor hun vurige taal.

Ik dank Bernard Huijbers en Tom Löwenthal en Antoine Oomen, en nog een taxi vol andere componisten.

Ik dank Annette Rothenberg-Joerges en Birgitta Kasper-Heuermann en Hanns Kessler [de vertalers, red.], en Cornelis Kok, de generaal-overste van de Congregatie van het Gezang.

Ik dank het beroemde uitgevershuis Herder, en ik verzoek de heer Ulrich Sander [de redacteur, red.] er zorg voor te dragen dat deze bundel in handen komt van Paus Benedictus Ratzinger, opdat hij getroost mag worden door de woorden 'Es hat schon begonnen, merkst du es nicht!'

En wat is al begonnen? Een nieuwe wereld, dwars door deze oude heen.

Bremen, 21 mei 2009

> Duitse versie